Een bed
Op Eerste Pinksterdag staat er een auto geparkeerd op de dijk, voor de loopplank van de boot van de 89-jarige bewoonster. Er staat daar nooit een auto geparkeerd. Soms een scooter, zelden een fiets, maar nooit iets groter dan dat. De auto staat er zeker een uur als plots een man uit de stuurhut komt. Een koffertje in zijn hand, wat onwennig over de smalle loopplank gelopen. ,,Zo kan het niet langer'', zegt hij tegen de man die in de stuurhut achter blijft. Hij plaatst de koffer op de passagiersstoel, stapt in en rijdt weg. De dijk is weer leeg zoals deze behoort te zijn.
In 1960 is ze gestopt met varen en sindsdien ligt haar schip voor anker. Ze woont in haar roef die er nog nagenoeg zo bijstaat als in 1960. Ik heb haar enkele malen aan een interview onderworpen voor mijn te schrijven boek over woonbootbewoners. Zoals zij woont, zal snel alleen maar in een museum te zien zijn. De gaslamp boven de eettafel heeft een peertje gekregen, maar verder is alles gebleven zoals het was. En ze vindt het prima.
De dagen na het vertrek van de dokter is het een komen en gaan van mensen in de stuurhut van deze oud-binnenvaartschipper.Er gaat nu geen dag voorbij of er staat wel een fiets of scooter bij haar voor de deur. En soms weer een auto. Een huisarts, de thuiszorg, de psychiater: ze komen allemaal langs, praten op haar in, maar de uitkomst staat bij voorbaat vast. Wat er ook gebeurt: ,,De enige manier waarop ik voorgoed dit schip verlaat, is net als mijn man.'' Languit op een brancard, door het luik in het ruim, de ogen voorgoed gesloten, vertelde ze me tijdens een van de interviews in 2009. Het is nu voorjaar 2010 en mevrouw is zienderogen achteruit gegaan. Nog altijd helder genoeg van geest om haar wens van 2009 opnieuw te uiten, tegenover artsen, psychiaters en familieleden. Wat er ook gebeurt, ze blijft.
Ze is tot twee keer toe liggend op de grond van haar boot gevonden. Het leverde haar blauwe plekken en zonder twijfel een gevoel van hulpeloosheid op, maar haar wil is niet geknakt. En dus arriveert er op de vrijdagavond na Pinksteren een elektrisch verstelbaar bed. In onderdelen wordt het door het ruim naar binnen getild. Eerst een hek, dan nog een, het voorste en achterste deel, verbindingselementen en als laatste het matras, nog in plastic. Het ruim ruikt naar olie en hout. Er hangt een lucht die er jaren moet hebben gehangen. Het luik, waardoor een van de hulpverlenende vrienden van mevrouw naar binnen moest om haar tot redding te zijn, staat open, niet alleen als toegang voor het bed, maar ook om de lucht die het schip niet wenst te verlaten, tot afscheid te dwingen. Wolken drijven over. Het water is vanaf hier niet zichtbaar.
Mevrouw zelf laat alles gezeten in een stoel schijnbaar gelaten over zich heen komen. Ze heeft in een van haar trillende handen een plastic beker lauwe thee. Haar haren kort en futloos, haar benen dun. Zien of lopen kan ze amper meer. Als er luid tegen haar gesproken wordt, kan ze het verstaan. Maar begrijpen doet ze het maar al te goed. Het nieuwe bed wilde ze niet, al het volk over de vloer evenmin. En als ze had gezien dat het luik gelicht was, had ze onmiddellijk gecommandeerd het weer te sluiten. In haar blik is niet te zien of ze zelf het gevoel heeft dat haar laatste dagen aan boord zijn begonnen. Of ze door heeft dat het moment dat ze net als haar man het schip zal verlaten, met de dagen, uren dichterbij komt. Eens zal de dag komen dat ze niet meer de zon boven het schip ziet hangen, of de wolken voorbij ziet drijven. Of het water tegen het ijzeren gehemelte van het schip hoort klotsen. Zien en horen kan ze al amper meer, maar ze voelt het nog wel.
Nog wel.
De fysieke staat van mevrouw is goed te vergelijken met dat van haar schip. Houtrot wordt langzaam zichtbaar, maar de basis van het schip, de bodem, is nog altijd onverwoestbaar. Net als de boeg decennia geleden het water gewillig wist te breken, is het de geest van mevrouw die nog altijd het schip bestuurt. De vraag is alleen hoe lang nog. Het onverwoestbare geklonken staal van haar Op Hoop Van Zegen lijkt haar toch te overleven. Maar met ruim honderd jaar tegenover de 89 van mevrouw was het sowieso al een ongelijke strijd. Ze vertelde me dat ze vaak bij het wakker worden haar droom van die nacht herinnerde. Als ze net haar ogen had geopend, dacht ze even dat ze nog gewoon voer. Zodra de werkelijkheid via de ochtendlucht tot haar door was gedrongen, kwam er altijd een gevoel van teleurstelling meegedreven. Nog even en ze zal altijd blijven varen. Tot in de eeuwigheid.